Reflectie op Kerstvredeswandeling 2007

DOOD HOUT BLOEIT ORANJE

“Dood hout bloeit oranje” zijn woorden die mij voortaan zullen herinneren aan de negende uitvoering van de Kerstvredeswandeling. Ze werden aan ons toevertrouwd tijdens de bemoediging op 28 december in de Pelgrimskapel Fochteloo door Annie Oosterloo, kerkelijk werker en bestuurslid van de Stichting Pelgrims Vredes Kapel. Wij zouden die dag over het Fochteloërveen wandelen om te eindigen in Veenhuizen.

Dood hout bloeit oranjeBoven het uitgestorven veen
trekt onweer zich traag terug
schimmels ontwaken

dood hout bloeit oranje

in vochtig kreupelhout
hoor ik verloren zielen
geruisloos zwerven

oerijzer drupt in gitzwarte sloten

wortels van een gevallen berk
weten de weg nog
naar het spoor

dood hout bloedt oranje.

Een uurtje voor het einde van de tocht, op de derde dag, voorbij het kerkhof van Langedijke, vindt Afke een tak en zie “dood hout bloeit oranje!” De cirkel is gesloten.

Pelgrimskapel Fochteloo

Bijzonder aan de negende uitvoering van de Kerstvredeswandeling is toch wel dat we deze keer starten vanuit de Pelgrimskapel in het dorpje Fochteloo, niet zover van de Fries Drentse grens. Tot en met de avond van eerste kerstdag was dit gebouw “de kerk” voor de (hervormde) inwoners. Honderd jaar geleden – in 1908 – werd het gebouwd als boterfabriekje. In 1920 kocht de familie Kiers het gebouw en toen kreeg het een kerkelijke bestemming. Testamentair werd bepaald dat het oudste kind deze bijzondere bestemming had te eerbiedigen. Traditionele kerkdiensten zullen er vermoedelijk niet meer gehouden worden. Maar pelgrim Henricus ziet de pelgrimskapel als ontmoetingsplaats voor bezinning, gebed, gesprek en informatie.

Veel oude bekenden en een enkele nieuwelingPelgrim Henricus kon op 27 december 22 wandelaars voor de innerlijke vrede begroeten. Dat vond ik bijzonder, want in 2007 stond het werk op een hele lage pit. Het deed ook goed om zoveel bekenden te zien. Het voelde aan als met een goede vriendschap. Zo’n veel oude bekenden en een enkele nieuwelingvriendschap verdraagt een periode van elkaar niet zien. Wanneer je elkaar wel weer ontmoet lijkt het alsof er geen tijd tussen zat. Zo vertrouwd voelt de ontmoeting. En dat was ook hier het geval, ook met de deelnemers onderling. Het leek een soort thuiskomen.

Met de bus naar de PelgrimskapelOnder de deelnemers was ook ds. Sieb Kiestra; jarenlang was hij secretaris van de stichting. Nu zou hij als allereerste (in een hopelijk lange reeks) de bemoediging uitspreken in de kapel. Dat vond ik een bijzonder moment. Maar er waren ook wandelaars van het eerste uur, zoals Wine Heeroma en Luuk Swart. Ook Bauke Visser met zijn vrouw Ymie en zoon Sjoerd waren deze dag van de partij. Tijdens de lentevoettocht van 2004 wandelden ze mee en sindsdien is Bauke onze met de bus naar de Pelgrimskapelwebmaster, een taak die hij in stilte uitvoert. (op de tweede en derde dag zouden nog andere, oude bekenden meedoen, zoals Auke Steensma, Ada de Vos, Margriet Storm en Roelie Arends).

Op de eerste twee dagen werd vrijwel iedereen “per bus” aangevoerd vanaf het busstation Oosterwolde. De kapel ligt immers midden in het platteland zonder veel parkeerruimte. Deze service werd zeer op prijs gesteld. Het was voor het eerst dat deelnemers aan de tocht gezamenlijk vervoerd werden.

De tochten

Plek waar voormalig werkkamp Oranje stondOp donderdag voerde de tocht via de voormalige werkkampen Oranje en Ybenhaer (met het glasmonument ter herinnering aan het Jodentransport uit plek waar voormalig werkkamp Oranje stondoktober 1942) over de voormalige vuilnisbelt met op de top de markante ijzeren pijl van hedendaagse kunstenaar Ids Willemsma, langs het monument van de door de Duitsers doodgeschoten verzetsman Schuilenga in het Tiesengabosje over de Tjonger naar de Hervormde Kerk te Haule. Daar stond de koffie met koek klaar, maar ook de dominee. Na de bemoediging trokken we via het Blauwe Bos (ontleend aan de blauwspar die geplant werd nadat een windhoos het bos had geteisterd) naar het eindpunt bij het dorp Waskemeer. Daar staat de boerderij Maria ter Claesze. De naam herinnert ons aan de moeder van Jezus en aan Amsterdam. Claesze verwijst immers naar de patroonheilige van Amsterdam (St. Nicolaas, die overigens de heilige is van vele schippersdorpen). Daar werden we ontvangen door frère Rolf en Soeur Georgine Boiten – du Rieux. Deze theologen hebben in hun jonge leven midden op de wallen van Amsterdam de nog steeds bestaande communiteit Oudezijds 100 gesticht. Nu wonen beiden al weer vele jaren op het Friese platteland in een boerderijtje van de Janssenstichting. Die naam herinnert ons aan een weldoener uit het begin van de 20e eeuw toen de vervening in Haulerwijk en Waskemeer plaatsvond en er grote armoede was onder de bevolking. De heer Janssen bouwde onder meer huizen en boerderijen om de mensen vooruit te helpen. In het verwaaide boerenlandschap van vandaag ziet men nog steeds de structuur van vroeger, de bomenlanen die naMet tentdoek uitgebouwde kapelar de akkers voerden, maar ’t is wel erg verwaarloosd en her en der ook onderbroken. tot kapelomgetoverde stookhut Boerderij Maria ter Claesze.

De ontmoeting werd een ontroerend slot. Wonderlijk ook, omdat we allemaal een plekje vonden in de kleine kapel (voormalig stookhuisje), voor deze met tentdoek uitgebouwde kapelgelegenheid tweemaal verlengd met tentdoek. In de boerderij wachtte bij de open haard de koffie en de thee en ook nog eens warme kaasbroodjes en saucijsjes. De touringcarbus van Taxi Kort kwam tegen 16 uur weer voorrijden. Dag 1 was ten einde.

Vrijdag

Dood hout bloeit opnieuwOp vrijdag gingen we door de weidsheid van het landschap. “We” bestond uit een 22-tal deelnemers. Slechts vijf wandelaars van dag 1 keerden terug. Annie Oosterloo stuurde ons op pad met een gedicht, maar ook met een verhaal. Een verhaal waar ik nog steeds aan moet denken. Het raakte mij, want voor mij was de strekking hoe ga je als pelgrim onderweg. Hoe kleur ik mijn weg als vredespelgrim.

Een vader stuurde zijn twee zonen de wereld in om ervaring op te doen, om het leven van de mensen op het platteland, in de dorpen en steden te leren kennen. En hij zei tegen hen: “Laat tekens achter op jullie weg.”

De twee broers gingen op pad. Al na enkele stappen begon de oudste broer tekens te maken. Hij maakte knopen in grashalmen, brak twijgen van struiken en bomen, stak takjes in de aarde, legde stenen op de rand van zijn pad. De hele weg die hij liep was vol met tekens. Hij was zo bezig met tekens maken dat hij er nauwelijks aan toe kwam om met mensen in gesprek te raken.

De jongste broer echter gedroeg zich heel anders. In het eerste dorp ging hij naar de herberg, at en dronk met de mensen en vertelde uit zijn leven. In het volgende dorp raakte hij bevriend met een jongen die hem mee nam naar zijn familie. Weer in een ander dorp voegde hij zich bij de mensen, luisterde naar hun ervaringen en verhalen, en vertelde wat in zijn hart op kwam. In een stadje waar hij langs kwam kreeg hij vanwege zijn open en vriendelijke aard spontaan van de mensen eten en drinken aangeboden, vroeg geïnteresseerd naar hun levenservaringen, luisterde en vertelde. Intussen was de oudste broer druk bezig met zijn knopen, twijgen en takjes.

Toen ze beide weer thuis waren vertelden ze hun vader van hun belevenissen. Nadat deze aandachtig geluisterd had ging hij met hen dezelfde weg die zij gegaan waren. Overal werd de jongste broer met zijn vader heel hartelijk ontvangen. Maar niemand kende de oudste broer. "Ik begrijp niet waarom niemand mij herkent", zei deze, "allen zijn zo vriendelijk tegen mijn broer, die niets gedaan heeft dan alleen maar kijken en praten; hij heeft geen grashalmen geknoopt, geen twijgen gebroken, geen enkel teken aangebracht zoals u, vader, het bevolen hebt, maar iedereen kent hem en is blij met hem.

Toen zei de vader: "Er bestaan nog andere tekens dan grastwijgen en takken, mijn zoon. Het zijn de tekens die een mens in de harten van andere mensen achterlaat wanneer hij hen ontmoet, naar hen luistert, met hen spreekt en hen zijn vriendschap schenkt. Dat zijn de tekens die je jongere broer op zijn weg heeft achtergelaten. Daarom wordt hij door de mensen herkend en vriendelijk ontvangen. De tekens die je in de harten van mensen achterlaat blijven daar ook wanneer gras, twijgen en takken allang zijn verdord en verdwenen in de maalstroom van de tijd.

Ik moest er die dag – en ook nu nog, nu we al weer vele weken verder zijn - vaak aan denken. Het gaat om de mens. Hoe kunnen mensen zeggen dat ze voldoende hebben aan zichzelf. Een pelgrim is een mens die het goede oproept in de ander. Dat kan alleen door te vragen, door te praten door je te geven.

Wandelend door FochtelooZo kwamen we – tot slot via het pad voor rolstoelers - bij de boerderij van Natuurmonumenten. De deur stond open en nu had Annie Oosterloo koffie en koek bij zich. Veel dank zijn we aan haar verschuldigd, ze bleef ons gastvrij onthalen zowel in de kapel als onderweg. Vaak vinden we deze bewezen hartelijkheid als vanzelfsprekend. Maar het blijft bijzonder. In het documentatiecentrum keken we naar een documentaire over het Fochteloërveen, één van de weinige hoogveengebieden in Nederland. Zelf kan ik mij maar moeilijk voorstellen dat het landschap waar wij door heen lopen vele meters hoger is geweest, en dat nog niet eens zo lang geleden. Rond 1827 immers begon het turfgraven in deze omgeving.

Vervolgens wandelden we naar het beroemde veen. Eerst over het verharde fiets- en wandelpad en toen volgden de meeste voeten een kronkelig zandpad door de hei. De stilte viel als een deken om ons heen. Een geweldige ervaring. Jammer genoeg duurt zoiets niet lang. Spoedig was er weer de verharde weg en het lawaai van de wereld. Gelukkig was er nog een lange oude bomenlaan voordat we aankwamen bij de koepelkerk. Het weer was intussen guur geworden; in de opkomendwat een vredee wind verbleekte de middagzon en zo merk je dat – hoewel de kortste dag al weer een week achter ons ligt - de winter nog maar net begonnen is. De historische Wat een vredegeschiedenis van Veenhuizen ging grotendeels aan ons voorbij. Wel vertelde pelgrim Henricus nog over het bijzondere van een boerderij uit de tijd van generaal Van den Bosch. Het woongedeelte in het midden, links de stal, rechts de opslagruimte voor de gewassen. Het was de tijd dat vooral bermstruiken dienst deden als “mest” voor het land. Maar de methode die het in Nederlands Indië goed deed, kwam hier niet van de grond. Het dorp met vele opvoedkundige teksten op de gevels werd tijdens  het bewind van Koning Willem I gesticht, als opvang voor de vele daklozen. Maar liefst drie grote “gestichten” voor elk 1000 daklozen, vondelingen en bedelaars dood hout bloeit oranjewerden er gebouwd. Dat was het onverwachte en misschien ook wel ongewenste cadeau van de Napoleontische oorlogen. Maar in 1827 had de wereld nog geen idee van wat er nog meer aan ellende zou volgen. En in 1945

was dat hetzelfde. We leven – zo lijkt het - op een zeepbel van vrede. En toch…. dood hout bloeit oranje.

In de koepelkerk van Veenhuizen werden we met warmte ontvangen, dat wil zeggen toen we eindelijk de ingang hadden gevonden en daarin school verborgen humor. We dachten dat de ingang niet kon zijn op de plek waar een auto voor de deur stond, dus maakten we een omgang en voelden we aan elke gesloten deur om uiteindelijk bij de auto de toegang te ontdekken. Enkele dames drukten ons de hand. Opnieuw was er koffie en koek, maar ook hoorden we een persoonlijke bemoediging met rijke woorden en treffende muziek Tegen kwart voor vier kwam het busje voorrijden. Ook deze wandeldag voor de innerlijke vrede was voorbij.

Zaterdag

Zaterdag 29 december brak aan. Tegen half tien waren er zes wandelaars bij de (voormalige) hervormde kerk van Appelscha aan de Opsterlandse Compagnons Vaart, het kanaal dat gegraven werd om de turf af te voeren. Gelukkig was de koster op tijd (want in de communicatie vooraf bleek iets mis gegaan te zijn, maar gelukkig kwam het herinneringstelefoontje van Annie op tijd) en ook Sietske Hartholt was er, ondanks de zorg voor haar hoogbejaarde moeder. Ook Sietske stuurde ons heen met een verhaal. Ik herinner mij er alleen nog de essentie van.

Een man was op reis in een uitgestorven landschap. Hij wandelde en wandelde; zijn voorraad aan eten en drinken raakte op. En nergens was iemand te bekennen. Toen zag hij een waterput met een pomp. Struikelend bereikte hij de put en doodop begon hij te zwengelen, maar er gebeurde niets. Het weinige uithoudingsvermogen was nu meer dan op. Teleurgesteld en dodelijk vermoeid zakte zijn lichaam naar de grond. Toen hij weer bijkwam zag hij een flesje. Een flesje gevuld met water en daarbij een briefje. Giet dit flesje in de pomp, het droge leer zal uitzetten en spoedig kunt u drinken zoveel als u wilt. De man aarzelde. Zou hij de gok nemen en dit water, dit kostelijke water dat de dorst kon lessen, in de pomp gooien. Dan had hij niets. Wie moest hij geloven. Wat moest hij doen. Tenslotte goot hij het flesje leeg in de schacht van de pomp. Toen hij na een poosje weer aan de zwengel trok kwam er met veel gepiep een gulle waterstroom naar boven. Hij kon drinken zoveel als hij wilde.

Ik vond het een kostelijk verhaal.

Wonderlijk hoe verhalen in weinig woorden een situatie duiden. Tekens langs de weg en het verdroogde leer van de pomp: wie en wat ben jij, pelgrim voor het leven.

Pelgrims onderwegOok op pelgrims onderwegde route van zaterdag vonden we een moment rust bij het Informatiecentrum van Staatsbosbeheer. Daarna ging het verder, eerst nog over een bospad, maar toen was er alleen nog maar asfalt, grint en stoeptegels. Halverwege het kleine kerkhof van Langedijke. Op het kerkhof twee graven van oud-burgemeesters van Ooststellingwerf. En een hele oude kerkklok, waarvan het verhaal wil dat hij afkomstig is uit een verdwenen en niet te traceren klooster onder Elsloo. Sommigen zeggen dat er sprake is van een naamsverwarring. Men zou het Augustijnerklooster van Ter Apel bedoeld hebben. Hoe dan ook, mensen uit deze streken blijven geheimzinnige verhalen vertellen en zo nu en dan steekt iemand een spade in de grond omdat hij daaronder een fundament vermoed. We naderen Oosterwolde via een aangelegd park met Europees geld. Opeens staan we bij het Anker, voormalig kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk, nu PKN kerk. De hele omgeving is zwanger van oliebollengeur, want elk jaar worden hier met oud en nieuw duizenden oliebollen gebakken. Zodoende krijgt men geld voor de verbouwing en aanpassing. We gaan eerst naar de kerkzaal waar dominee Lieuwke Cnossen ons meeneemt naar de paaskaars en Psalm 84. Zelfs vind de mus een huis, o Heer.

Daarna worden de  wandelaars getracteerd op een oliebol, opgewarmd in de magnetron. Enkelen kopen nog een zak oliebollen voor thuis en dan nemen we afscheid. Opnieuw is het ongeveer 16 uur.dood hout bloedt oranje

Deze negende editie is voorbij. Een hoopvolle tocht. Niet vanwege het enorme aantal mensen, we waren met een vijftig wandelaars. Maar we liepen in het schijnsel van het woordje vertrouwen. Deze driedaagse leek – wat mij betreft – op Pasen. Simpel uitgedrukt in een paar woorden. Dood hout bloeit oranje.

(wandelfoto`s van Sjoerd B. Visser en meditatieve foto`s van Auke Steensma)